Het grote geheim

Een paar weken geleden plaatste ik op facebook een foto van de stal van mijn bonte reus, vlak vóór ik ging uitmesten. Het is een plaatje dat ik elke dag kan maken, want het ziet er altijd zo uit bij hem. Het leverde een stortvloed aan reacties en smeekbedes op. Of ik mijn geheim wil prijsgeven. Zo schoon is kennelijk een wonder.

Ik had ook een foto van de stal van Socrates kunnen plaatsen. Want, om jullie ogen meteen maar helemaal uit te steken, die is net zo netjes. Davy was dat ook. Hoe ik ze zo opvoed? Ik denk dat ik rijk zou worden als ik daar cursussen in kon geven. Vooruit, ik ga het vertellen. En ik reken uiteraard op jullie gulle donaties. Of wacht, ik heb eigenlijk liever dat jullie mijn laatste boek kopen en promoten naar vrienden of kennissen, als dank. Verkrijgbaar via Mediaboek of bij mij.

Hoe groter, hoe beter

Zitten jullie er klaar voor? Hoewel ik denk dat het veel te maken heeft met aanleg, want volgens zijn fokker was DD’s moeder net zo keurig, zijn er wel dingen die meespelen. Wat bijvoorbeeld scheelt, is de afmeting van je stal. ‘Hoe groter hoe meer rommel’ is niet waar. In de wei zoeken paarden van nature ook een plek die ze als toilet gebruiken. Dat gaat overigens alleen op als ze voldoende ruimte en genoeg te kauwen hebben. Bij mijn trainer John Lassetter in Engeland, op het prachtige landgoed Goodwood, hadden we middeleeuwse stallen met dikke muren, die wel acht meter diep waren. Mijn kleine Davy verdween erin met zijn 1.62. Alleen het achterste deel was met een dikke laag zaagsel gevuld. Voorin lagen matten. En schóón dat die paarden bleven. Wat ik ook daar heb opgepikt is de afwezigheid van deuren. Althans, het niet sluiten ervan. Alle paarden stonden achter een kettinkje. Bij ons gaan de paarden pas ’s avonds naar binnen. Ze hebben grote stallen (4 meter) met allemaal een buitenluik en voor de deur aan de binnenkant een ketting. Dat maak de grote stal nóg groter. Alleen bij Lizzy gaat de deur dicht. Die liet zich niet door zo’n kettinkje weerhouden. Ik kan vanuit huis de stallen zien, dus had het meestal in de gaten, maar nadat ze voor de derde keer de voertonnen op de kop had gezet omdat ik niet snel genoeg was, was ik het zat.

Rust in hun hoofd

Wat scheelt is rust in hun hoofd. De routine is altijd hetzelfde. Onze paarden staan -weer of geen weer- elke dag buiten, minimaal 9 uur. De ondergrond van de wei is voornamelijk zand, dus dat schudden ze na het rollen zo af. In hun box ligt altijd ruwvoer en ze staan op gewoon stro, waar ze aan kunnen knabbelen. Omdat dat naar buiten gaan een zekerheid voor ze is, vinden ze het echt niet vervelend om naar binnen te gaan. Even uit de elementen of bij de vliegen vandaan. Hoewel we van dat laatste op een winderig zout eiland beduidend minder last hebben dan aan de overkant, zoals wij de vastewal noemen. We hebben een kleine, hechte groep paarden, ze kennen elkaar al lang en kunnen het uitstekend met elkaar vinden. Er zijn weinig wisselingen in hun leven en op stal is geen drukte. Ik begrijp dat dat lastiger wordt als je bij een grote pensionstal of een manege staat, waar nou eenmaal meer bewegingen van mensen en paarden zijn. De één kan daar beter tegen dan de ander. Soms scheelt de plek van de stal al veel. Staat je paard achteraan het pad of juist midden in alle heisa? Feestelijke types houden van herrie, maar piekeraars niet. En die gaan dan van de stress rondjes lopen, wat een viezere stal geeft.

Ze swaffelen weinig

Rust is ook iets dat je zelf uitstraalt. Kom je binnenhollen na een drukke dag, met je telefoon half aan je oor, waarna je al kakelend een zadel op zijn rug smijt en na 100 meter stappen aandraaft , dan staat zo’n paard nadat jij weer bent weggestormd nog stijf van de spanning. Helemaal als je dan ook nog tijdens het rijden moppert en brult om wat er niet naar je zin gaat. Zoiets werkt door in je paard op stal.

Ik mest elke dag uit. Bij veel grote stallen gebeurt dat één keer per week massaal. Ik heb mannetjes, dus plassen doen zij in het midden. Maar ze swaffelen weinig, dus het ligt op één plek. Precies daar hebben we in de bodem een grintbed met graskeien erop, al dan niet met vochtdoorlatende matten. Iedere ochtend schuif ik het schone stro aan de kant, haal de mest en de natte plekken eruit en laat het drogen. Het is even werk, maar juist omdat het wordt bijgehouden valt dat ook wel weer mee. En het is zo’n routine geworden, dat het mijn meditatiemomentje is. Ik bedenk daar altijd briljante zinnen of inleidingen voor verhalen. Die ik helaas niet meteen opschrijf en dan dus net zo snel weer vergeet. Overigens heeft DD wel eens een geel knietje, als hij teveel in het midden heeft gelegen. Maar daar heb ik dan weer het volgende op, namelijk een buurmeisje dat paarden helemaal geweldig vindt en nu op een leeftijd is dat ze me graag komt helpen, met als hoogtepunt het gezamenlijk afspoelen van DD na de training.

Niet helemaal zelfreinigend

Het geheim is dus rust, reinheid en regelmaat. En mazzel, want je wilt de stallen van de merries niet zien… Helemaal zelfreinigend is DD helaas niet. Voor hem houdt zijn lijf kennelijk op bij zijn achterwerk. Dus als iemand mij kan leren hoe ik zijn staart schoonhoud als mijn buurmeisje weer naar school is, dan houd ik me aanbevolen…

 

 

 

Geplaatst in Blog en getagd met , , , .